Werkwoorden vervoegen
De stam
Om regelmatige werkwoorden te vervoegen (ik maak, jij maakt, …), zul je eerst de stam moeten vinden.
Je begint met de infinitief (de onvervoegde vorm van het werkwoord, zoals je het in het woordenboek vindt, bijvoorbeeld maken, zeggen, schrijven …). Bijna alle infinitieven eindigen alle op -en. Er zijn zes werkwoorden die op een andere klank plus -n eindigen.
Als je -en weghaalt, heb je de ruwe stam. Die noemen we zo, omdat je soms nog iets moet veranderen om de ‘echte’ stam te vinden.
Hier zijn een paar voorbeelden van werkwoorden met hun ruwe stam:
Maar... bij regelmatige werkwoorden willen we dat de klanken dezelfde lengte houden.
De a in maken is lang, want deze bevindt zich in een open lettergreep (de ma in ma-ken).
De a in de ruwe stam mak is kort, omdat deze lettergreep eindigt op een klinker. Om ‘m weer lang te maken, verdubbelen we de a. De ‘echte’ stam van maken is dus maak.
Aan de andere kant hebben we dubbele medeklinkers juist weer niet nodig! De tweede g van zeggen, bijvoorbeeld, schrappen we, waardoor de ‘echte’ stam zeg wordt.
De stam mag niet op een v of een z eindigen. De v wordt een f en de z wordt een s. Zo is de stam van schrijven dus schrijf, en die van reizen… reis.
Soms hoef je na het verwijderen van -en niets te veranderen. De stam van kijken is gewoon kijk :)
Nu je de stam hebt, kun je beginnen om werkwoorden te vervoegen! Lees hier hoe je regelmatige werkwoorden vervoegt in de onvoltooid tegenwoordige tijd (de presens). Of test je kennis met de quiz hieronder!