Werkwoorden vervoegen
De ovt
De onvoltooid verleden tijd (ovt), ook wel het imperfectum genoemd, wordt in verschillende situaties gebruikt:
- Om gewoontes uit het verleden te beschrijven.
Bijvoorbeeld: “Toen ik klein was, speelde ik elke middag buiten.”
- Om de staat van iets te beschrijven in het verleden.
Bijvoorbeeld: “Het was een mooie dag.”
- Om te vertellen wat er gebeurde tijdens een ‘centrale’ gebeurtenis.
Bijvoorbeeld: “We kwamen binnen, feliciteerden de jarige en gaven hem een cadeau.”
Vooral vanwege die laatste twee functies wordt de ovt ook veel gebruikt in romans.
Hoe maak je de ovt?
Eerst is het belangrijk om te weten of het een d- of t-werkwoord is. Hiervoor kijk je naar de ruwe stam (de infinitief zonder -en). Eindigt deze op p, t, k, f, s of ch? Dan is het een t-werkwoord. In alle andere gevallen is het een d-werkwoord.
T-werkwoorden krijgen in de ovt de uitgang -te(n), en d-werkwoorden de uitgang -de(n). Let hierbij op dat de stam die je gebruikt om het werkwoord te vervoegen anders kan zijn dan de ruwe stam!
Test je kennis in de quiz hieronder, of verdiep je hier in het voltooid deelwoord.