Werkwoorden vervoegen
Het voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord (ook wel participium perfectum genoemd) is belangrijk om te kennen als je complexere zinnen wilt maken. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt:
-om een afgeronde actie uit het verleden te beschrijven.
Bijvoorbeeld: Ik heb mijn huiswerk gemaakt.
-om passieve zinnen te maken.
Bijvoorbeeld: Het wordt gezegd.
-als bijvoeglijk naamwoord (adjectief)
Bijvoorbeeld: een geslaagd plan.
Hoe maak je het voltooid deelwoord?
Een regelmatig voltooid deelwoord bestaat uit drie delen: een voorvoegsel, de stam, en de uitgang -d of -t.
Voltooid deelwoorden beginnen met ge-, tenzij het hele werkwoord (de infinitief) al begint met een voorvoegsel (prefix) waar geen klemtoon (accent) op ligt, zoals be-, er-, ge-, her-, ont- en ver-.
Halen → gehaald, maar:
Herhalen → herhaald
Wachten → gewacht, maar:
Verwachten → verwacht
Bij de regelmatige werkwoorden is de kern hetzelfde als de stam (de ik-vorm).
Maken → ik maak → gemaakt
Kennen → ik ken → gekend
Verven → ik verf → geverfd
Tenslotte volgt een t of een d, afhankelijk van de ruwe stam (infinitief min -en) van het werkwoord. Als dat een p, t, k, f, s of ch is, dan eindigt het woord op -t. Zoniet, dan eindigt het op -d, precies zoals je dat ook bij de ovt zag. Regelmatige werkwoorden die in de ovt op -te(n) eindigen, krijgen in het participium dus ook een t, en als ze in de ovt op -de(n) eindigen, wordt dat bij het participium dus ook een d.